Rellen is van alle tijden

Bijgewerkt op: feb 1

Oproer, rellen, rituelen en opstanden

Wie het verleden kent, kan het heden en de nabije toekomst beter duiden. Ik moest aan die regel denken toen ik de rellen op televisie zag. Internet ontplofte want werkelijk iedereen deed of mee of had er een mening over. De medemens die vroeger op de maatschappelijke ladder op de onderste sporten stonden, vormden de zwijgende meerderheid, maar die konden ook morrelen, ontevreden zijn met hun positie in de samenleving. Ook zij roerden hun mond bij de talloze maatschappelijke en sociale problemen die de middeleeuwse geschiedenis rijk is. Het kon klein beginnen en schreeuwden de opstandelingen woorden als 'verrader' of 'levereter' naar de gezagsdragers die volgens de massa hun taak niet naar behoren uitvoerden. Een woord als 'levereter' lijkt een wat vreemd scheldwoord, maar het betekende indertijd nogal wat. Was je een corrupte ambtenaar die zichzelf het belastinggeld had toegeëigend, dan had hij de lever, een belangrijk orgaan van het stedelijke lichaam, opgegeten (voor zichzelf gehouden). Zodoende was iedereen benadeeld en was het een grote schande dat hij de stad had aangedaan ten voordele van zichzelf; een verwijt dat Gilbert Van Schoonbeke in Antwerpen anno 1554 naar het hoofd geworpen kreeg tijdens het Bieroproer van 11 juli, op de dag af 252 jaar na de Guldensporenslag die vooral met ambachtelijke onvrede te maken had. Bij de Bieropstand richten wat oproerkraaiers vanuit de ambachten inclusief de consumensen zich tegen het monopolisme van Gilbert Van Schoonbeke. Aandeelhouder in de Van Schoonbeke & Cie. Karel V nam twee weken later revanche door een dozijn oproerkraaiers op te knopen op de Grote Markt. Zo ging dat toen.

We schrijven het jaar 1554: 'Op de avond van 11 juli omstreeks zeven uur ’s avonds verzamelde zich op de Grote Markt voor het stadhuis een groot aantal ontevredenen, die op luidruchtige wijze hun ontstemming uitten over de nieuwe belastingen, het lichten op stadskosten van vier vendels nieuwe belastingen en de brouwerijen in de Nieuwstad', schrijft schout Jan van Schoonhoven daags na de rebellie aan landvoogdes Maria van Hongarije. Er wordt die avond gedreigd een regiment Spaanse soldaten de stad binnen te laten rukken: 'Espagnols serviroient pour marioler leurs femmes'. Deze ophitsende woorden zijn aan geen dovemansoren gericht en de vlam slaat direct in de pan. Men wil massaal de boodschapper van dit 'nieuws' te lijf gaan. Die op zijn beurt nog net op tijd het stadhuis in kan vluchtten. De buitenburgemeester Henrick van Berchem en de binnenburgemeester Dierick van de Werve proberen de gemoederen op de Grote Markt tot bedaren te brengen. Tevergeefs, de geruchten hebben zich al als een lopend vuurtje door de hele stad verspreid en het wordt alleen maar drukker en rumoeriger. De Grote Markt stroomt overvol, mensen staan tot aan het voorportaal van de O.L.Vr. Kathedraal op de Handschoenmarkt, de zijstraten puilen uit en op de Suikerrui staan ze tot aan de kaaien. Het dreigt volledig uit de hand te lopen, want er vliegen hier en daar al wat stenen richting het stadhuis. Om tien uur moeten de opgetrommelde schuttersgilden en de burgerwacht de roerige menigte tot bedaren brengen, het lukt ze vrij snel om de Grote Markt schoon te vegen. Gilbert van Schoonbeke en zijn kompanen in het kwaad schepene Nicolaas Maas en Henrick van Berchem - alle drie notoire speculanten van eigen bodem en samen met Michiel van der Heyden menigmaal beschuldigd van corruptie en (prijs)manipulatie - weten ternauwernood uit het stadhuis te vluchten. Met het vertrek van de relschoppers is de ellende nog niet volledig uit de stad vertrokken. Ze trekken, een spoor van vernieling achterlatend, heel de stad door. ’s Anderdaags 'om den noene', vervult de magistraat de wensen van de oproerkraaiers in een nieuwe stadsordonnantie die vier nieuwe bepalingen omtrent het bier en de daarbij behorende accijnzen kent. Deze knieval van de stadsmagistraten richting het gepeupel zou verstrekkende gevolgen kennen. 11 juli 1554 staat sindsdien bekend als de dag van het Bieroproer.

Net als in Gent in 1538/1540 zint Karel V op wraak, een aanval op het Antwerpse stadsbestuur en zijn goede zakenvrienden Gilbert en Nicolaas kon hij niet over zijn kant laten gaan. Voorjaar 1555 was het zover, Karel V trekt op 29 maart, in het hoge gezelschap van Maria van Hongarije en adviseur kardinaal Granvelle Antwerpen binnen. Het gaat exact als in Gent vijftien jaar daarvoor, alleen blijven de stroppen voor zover bekend achterwege. Wel zijn er de gangbare straffen als onthoofdingen, kastijdingen en verbanningen die een keizer tijdens een 'keizerlijke cassatie' uitvoert in die tijd. Karel had het van geen vreemde, zijn grootvader Maximiliaan van Oostenrijk, die met de Duchesse de Bourgogne was getrouwd, hield er ook dergelijke strafexpedities op na.

Om er bij de Spaanse Furies in Mechelen in 1572 en in Antwerpen tussen 4 en 8 november 1576 [er vielen ruim 8.000 doden te betreuren] er het zwijgen maar toe te doen… Want ook dat was in feite niets anders dan een wrede strafexpeditie, echter dan door Karel’s zoon Filips II - onder het mom van soldatenrebellie - op mensen die op zoek waren naar vrijheden die ze zich volgens de vorst niet konden permitteren. Mensen die wat te zeggen wilden krijgen over hun eigen leven, of er een andere mening op na hielden, maar dit terzijde.

In een nieuwe ordonnantie op 12 oktober 1557 [nu onder een vernieuwd stadsbestuur en een nieuwe koning Filips II] worden werkelijk alle afspraken over brouwen, bier en bierbehandeling tot in detail geregeld en vastgelegd.

Had zomaar in Antwerpen kunnen gebeuren dit plaatje,

maar Leeuwarden was bijna 75 jaar eerder


Al in 1487 kende de stad Leeuwarden een Bieroproer. De dorpenfusie waaruit Leeuwarden was ontstaan komt tot stand onder enkele strenge voorwaarden. Eén ervan werd opgelegd door het machtige brouwersambacht. Zij zijn immers als enigen in staat de bewoners van de stad te voorzien van de enige veilige/gezonde drank: bier, volksdrank nummer één. De afspraak bij de samenvoeging van de dorpen was, dat er alleen lokaal gebrouwen koyte of kuitbier verkocht mocht worden. Het is de tijd dat in Friesland grote politieke en sociale onrust heerst. Twee belangrijke kloosters zijn verwikkeld in een strijd om de wereldlijke macht in een gewest waar feodale structuren verder ontbreken: de roemruchte Friese Vrijheid. In de slipstream van dat conflict staan ook enkele andere groepen elkaar naar het leven. Ze verzamelen zich – zoals vaak – in twee partijen, vernoemd naar de twee kloosters die Leeuwarden rijk is: de Schieringers en de Vetkopers. Het conflict laait op verschillende momenten op in de vorm van guerrilla-achtige situaties en knokpartijen. Dan breekt de dag van 23 juli aan, met een warme zomeravond die dorstig maakt. Wat Schieringers ontmoetten elkaar in de kroeg. De kastelein neemt een beslissing met verstrekkende gevolgen: hij haalt een vaatje bier uit zijn kelder en slaat het aan. Niet zomaar bier, Haarlems hopbier: een totaal ander biertype en ook nog eens van buiten de Leeuwarder stadsgrenzen. Geheel in strijd met het gebod dat de brouwers hadden opgelegd. Een bierschandaal dat niet onopgemerkt blijft: vertegenwoordigers van het brouwersambacht komen al snel verhaal halen bij de kroegbaas. Met in hun kielzog een grote menigte boze burgers. De situatie escaleert in een gewapende strijd waarin Vetkopers en Schieringers letterlijk en figuurlijk hun al jarenlang smeulende conflict in en buiten de kroeg uitvechten. Vele doden tot gevolg. Het Leeuwarder Bieroproer leidt ertoe dat beide partijen elkaar nog tot in lengte van jaren zullen blijven bevechten. Ze betrekken allerlei partijen van buiten het gewest bij het conflict, met als gevolg dat de beroemde Friese Vrijheid in de daaropvolgende eeuw vastloopt. Dan onderwerpen de Schieringers en Vetkopers zich aan het gezag van keizer Karel V en zijn genoodzaakt verder te leven onder het gezag van een buitenlandse vorst.

Eigen schuld, dikke bult.

In 2015 maakte Ulco de Jong Cambier als herinnering aan het Leeuwarder Bieroproer.

Cambier komt uit de Admiraals Bierbrouwerij in Aldtsjerk.


Rellen en in de hoop slaen...

Als er iets gebeurde tegen de zin van het volk, galmde de eis tot vergelding door de straten van de stad. 'Slaet doot, slaet doot!', klonk het een decennium eerder ook tijdens de opstanden van de ambachten in Brugge, toen de voltallige schepenbank tot ontslag gedwongen werd tijdens de wijdverspreide opstand tegen het bewind van Karel de Stoute (in feite tegen diens plaatsvervanger, stadhouder en opvolgster – want Karel stierf in januari tijdens een belegering aan de muren van Nancy – dochter Maria van Bourgondië en haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk; het zou na 1477 de feitelijke economische ondergang van Brugge inluiden).

„Laet ons in den hoop slaen,” riep een radicale, rebelse kleermaker hetzelfde jaar in Tienen, toen hij het vermeende wanbestuur van de schepenen aanklaagde. Het was al eerder voorgekomen tijdens een relletje dat ontstond in 1467. In Gent ontketenden de ambachten zowat een revolutie bij de Blijde Intrede van Karel de Stoute op 27 juni 1467, het liep er volledig uit de hand. Het was feitelijk het gevolg van wat Karels vader Filips de Goede de Gentenaren had aangedaan na de Slag bij Gavere; ontneming van de ambachtsbanieren, vier stadspoorten dichtgemetseld en extra belastingen, plus een gigantische boete die werd opgelegd. Filips was niet bij toeval de machtigste, maar ook rijkste man ter wereld geworden. Hij kneep zijn onderdanen uit. De Gentenaren aasden op revanche! Filips was al dood, dus moesten ze het met z’n zoon doen. Na hem eerst en plein public belachelijk te hebben gemaakt – hij had immers geen enkel gevoel voor humor en dat wisten de Gentenaren op de Korenmarkt ten volle te etaleren – klonk het de volgende dag al snel: 'sla ze dood, sla ze dood, die schaamteloze uitbuiters, waar zijn ze, waar zijn ze?' De ambachten haalden hun banieren tevoorschijn en als vorm van massaprotest trokken ze met z’n allen naar de Vrijdagmarkt. Op de Korenmarkt hadden ze intussen het queillotte-huyske (tol- of accijnshuis) als protest al in de fik gestoken. De rebellie was onder de ambachten zo groot, dat het huisje er nooit weerkeerde. Dankzij heel wat diplomatie en allerlei toegevingen van Karels zijde, werd de revolte in de kiem gesmoord.

Het Kelioothuisje van Oudenaarde wordt elk jaar bij de Adriaen Brouwerfeesten

nog demonstratief in brand gestoken.


Roepen, krijsen, staken en vooral veel lopen

Karel de Stoute werd tijdens diens Blijde Intrede – in de grote steden de officiële presentatie van de nieuwe vorst aan het volk, zijn onderdanen – overal vrij koeltjes ontvangen. In Luik, Antwerpen, noch Mechelen had men veel fiducie in zijn regering en ambities; hij voerde immers liever oorlog dan zich om zijn onderdanen te bekommeren. Slogans en kreten waren kenmerkend bij opstanden en feitelijk aan de orde van de dag als de goegemeente iets niet zinde. Er is nog niets veranderd, want zo mobiliseer je nu eenmaal heel eenvoudig ongenoegen en laat je onvrede met je situatie makkelijk aan iedereen weten. Dat de schreeuw het wapen bij uitstek was bij politieke onlusten, valt ook af te leiden uit het feit dat opstanden vaak roepingen werden genoemd, en opstandelingen vaak werden betiteld als roepers of krijsers, zoals bij de weversopstand van 1525 in ’s-Hertogenbosch - toen nog de meest noordelijke Brabantse stad. Zeker voor de gewone man en vrouw was het gebruik van het woord, in de vorm van geruchten, roddels, rumoer en bedreigingen, een populair middel om hun ongenoegen te uiten. En het werkte. We zouden het creëren van zo’n gerucht of rumoer nu reuring of buzz noemen.

Het was niet de enige manier om aandacht te vragen voor uitwassen of scheefgegroeide situaties die door de ambachtslieden werden geconstateerd. Andere vaak voorkomende vormen van geweldloos protest waren stakingen en loopinghen. De staking of leeghanc werd als drukmiddel gebruikt, met als uiterste pressiemiddel een uutganc, waarbij de ontevredenen collectief de stad verlieten. Het begon al zo vroeg als in 1112 toen de brouwers, schoenmakers en andere ambachtslieden in Sint-Truiden verlieten. De volders in Mechelen legden in 1524 collectief hun werk neer en verzamelden ze zich in de herbergen buiten de stadsomwalling voordat de onderhandelingen over hun looneis met het stadsbestuur opnieuw werden opgestart. In 1373 zouden de Gentse volders tijdens een soortgelijke actie maanden in het nabijgelegen Deinze blijven hangen, met hun eis tot 'beteringhe van onse loone'. Boze ambachtslieden konden ook een centraal plein bezetten of een protestoptocht organiseren. Dat heette een loopinghe zoals die in 1446 in het stadje Limburg aan de Vesder (ten oosten van Luik). Met veel omhaal en volgens hun eigen rituelen stelden de ambachtslieden zich daar keurig in het gelid en trokken dan naar een symbolische plaats in de stad; zoals het stadhuis of de lakenhal. De Leuvense ambachten gebruikten in 1360 daarbij tevens beckergeslach [klokgelui], eenzelfde soort clockenslaghen begeleidden de parades in Veurne in 1324. In Brugge veroorzaakte de moerlamye veel lawaai en reuring, evenals in Ieper tijdens de cockerulle in 1280, beide ontstaan uit onvrede van de ambachtslieden werkzaam in de lakenindustrie. Al snel gevolgd door Doornik, Sint-Omaars en Gent. De takehans waren dan weer de stakingen en optochten van de werkers van Dowaai in 1245 en 1281. Het woord betekent letterlijk dat de arbeiders stopten met werken. Zowel in Dowaai als elders kwamen op dergelijke momenten de ambachtslieden bijeen in assemblees waar hun eisen werden besproken.


Gent en de hoofdmannen

In de tussentijd zagen vakkundige ambachtslieden – zeker die van de volders, vilders, ververs en lakenwevers – de kans schoon om te emigreren. Ze werden door koning Edward III bewust richting de Britse Eilanden gelokt. Het was een bewuste campagne van gerichte immigratiepolitiek van Edward die verlegen zat om kundige vaklieden. Wever Johannes Kempe werd zelfs bereid gevonden om in 1331 de ambachtslui in Londen het horizontale weven te leren. Vlamingen, Brabanders en Zeeuwen vestigden zich vervolgens in York, Norwich en Winchester. Eind jaren 1330 was er veel weerstand onder de Britse bevolking tegen de inwijkelingen – die ze aliens noemden – en moest Edward zelfs verordeningen uitvaardigen die de aliens of Lagelanders bescherming moesten bieden. Edward verstevigde in zijn immer durende strijd om de Franse troon in de tussentijd zijn grip op Vlaanderen (van oorsprong nog altijd een Franse leen, met een graaf die rekening en verantwoording moest afleggen aan de Franse koning), waardoor er een crisis ontstond in de wolhandel; een handelsembargo op de import van het belangrijkste economisch goed. Door goeie vriendjes te worden met twee van de Gentse ambachtshoofdmannen Zeger van Kortrijk en Jacob Van Artevelde zag Edward zijn glorie als toekomstig heerser al voor zich. Door die vriendschapsverklaring werd Edward in Gent al snel als enige rechtmatige koning en graaf van Vlaanderen aangenomen. Al was het alleen al om de wolhandel weer op te pakken. De liefdesaffaire tussen Gent en Engeland waren de Franse koning Philippe VI en de graaf van Vlaanderen Lodewijk II van Nevers te gortig. Zeger werd als eerste opperoproerkraaier al snel ingerekend en verloor zijn hoofd en daarmee zijn leven op 21 maart 1338 in gevangenschap in het kasteel van Rupelmonde – een favoriete plek voor de graven van Vlaanderen om hun vijanden in op te sluiten. Het spel tussen loven en bieden tussen de koningen Philippe en Edward richting Vlaanderen en met name Gent bleef gedurende een aantal jaren aan de gang. De Vlamingen en Brabanders, die ondertussen samen met Zeeland, Henegouwen en Holland het conflict binnen waren gerold, wilden Edward als koning, wat ook effectief aan gang werd geslingerd in een spectaculaire ceremonie rondom Edward op de Vrijdagmarkt op 26 januari 1340. Een onderonsje waarbij Edward door de ambachten van de Lage Landen werd uitgeroepen tot koning van Frankrijk. Dit was feitelijk het startschot van de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Het enige minpuntje is, dat Vlaanderen zo definitief werd meegesleurd in de oorlog tussen Frankrijk en Engeland en op die manier verzekerd is van decennia vol ellende. Ik kan u vertellen dat niet iedereen daar blij mee was. Holland, Zeeland, Henegouwen en Brabant beginnen zich al snel terug te trekken en de laatste twee zweren al weer snel trouw aan hun leenheer Philippe VI en diens handpop Lodewijk II van Nevers. Ook onderling beginnen scheuringen in de Vlaamse stedenband te ontstaan, men vindt de positie van Van Artevelde te prominent. Sterker nog, de ambachten te Gent krijgen mot met elkaar. Edward blijkt immers helemaal niet de betrouwbaarste aller bondgenoten en als de gevechten na de zeeslag bij Sluis [1340] van Vlaanderen naar Bretagne verhuizen, begint het eerder tirannieke gedrag van Jacob velen steeds meer te irriteren.

Op 2 mei 1345, Quaden Maandag, vindt op de Vrijdagmarkt een ware veldslag plaats tussen wevers en volders. Naderhand ligt de markt bezaaid met honderden lijken, terwijl vluchtende volders in de Leie verzuipen. De veldslag maakt het politiek falen van Van Artevelde pijnlijk duidelijk. De twee partijen die Artevelde probeert te verenigen, slachten elkaar af op de plek waar hij Eduard III tot koning van Frankrijk liet kronen. Het wordt ook duidelijk dat de onderbetaalde volders, niet meer naar de pijpen van de rijke wevers willen dansen. Het laatste zetje werd gegeven door de koning van Frankrijk, door iedereen volledige handelsvrijheid met Engeland toe te staan, zo lang ze maar eens stopten met dat protesteren en revolteren; roepen, krijsen, staken en lopen. Het hele schimmenspel was natuurlijk het logische vervolg op de Guldensporenslag in 1302, dat ijlde na in alle ambachten, maar koste uiteindelijk ook Jacob Van Artevelde z’n kop, want uit onvrede klonk het op 17 juli 1345 opnieuw: 'Slaet doot, slaet doot!' De hoofdman van de volders, Geraard Denijs, roept vervolgens: „Ter dood met hem! Mannen, sla alles kapot!” Van Artevelde wordt voor zijn deur aan de Kalandeberg vermoord, volgens de overlevering met een fikse bijlslag in het hoofd (Edward III arrangeerde een regeling met Lodewijk II van Nevers en leek Van Artevelde snel vergeten te zijn, een jaar later werd Van Arteveldes financier en steun en toeverlaat Simon de Mirabello vermoord; wraak kan lang blijven simmeren).

Naast de ambachtsopstand in Gent ten tijde van Jacob Van Artevede (illustratie hierboven) die feitelijk al op quaden maendach culmineerde, waren er meerdere. Zijn jongste zoon Filips zou begin jaren 1380 nog even schoon schip maken in Gent en zijn vader wreken door diens oude politieke tegenstanders met een waar schrikbewind als leider van de Witte Kaproenen een kopje kleiner te maken. Ook bij hem klonk het: 'Slaet doot, slaet doot!' door de straten van Gent. Het liep, zoals altijd, helemaal fout en Filips moest zijn overmoed tijdens de Slag bij Westrozebeke bekopen met zijn leven.

Natuurlijk herinnert iedereen zich ook de opstand van 1540 waaraan de Gentenaren hun geuzenaam Stroppendragers te danken hebben. Eentje die de boeken in is gegaan als het begin van de definitieve economische neergang van Gent; toen nog één van de belangrijkste havensteden van Europa. Karel V had de voorbeelden van zijn voorouders - Filips de Goede, Karel de Stoute en Maximiliaan van Oostenrijk - goed geanalyseerd en sloeg die Gentse Opstand in één klap met geweld neer. Op 30 april ontnam hij in zijn Concessio Carolina alle ambachten hun banieren [de belichaming van hun afzonderlijke macht] en het stadsbestuur alle privileges. De schepenen werden voortaan door de vorst aangesteld en hun gezag ingekrompen, de Collatie of Brede Raad afgeschaft – zo hard bevochten ten tijde Maria van Bourgondië: het groot privilege, beter bekend als het Calfvel, de neringen werden in hun macht beperkt. Om de stad in bedwang te houden liet Keizer Karel het Spanjaardenkasteel bouwen op de plaats van de grotendeels afgebroken Sint-Baafsabdij. Deze keure maakte feitelijk een einde aan de stedelijke autonomie van Gent; tevens versterkte zij het vorstelijke gezag in het kader van de Staten van Vlaanderen. Ze wordt nog jaarlijks herdacht bij de optocht van de Stroppendragers tijdens de Gentse Feesten. In een bijzonder artikel verbood de keizer de Sint-Lievensprocessie alsook de nachtelijke gewapende parades van de Auweet op halfvasten. Het was een regelrechte ramp voor Gent, een zegen voor Antwerpen, Dordrecht en (later) Amsterdam.

Men was en bleef in Gent altijd wat opstandig en rebels. Een mooi voorbeeld van het twijfelen aan de door god gezonden autoriteit van de adel is een winkelgevel uit de laat 19e eeuw in de Baudelostraat. Ze heeft als illustratie een paradijselijke gevelsteen met Adam en Eva boven de voordeur. De slogan boven het raam luidt: 'Als Adam dolf Eva spon, waar vond men toen den edelman?'. Met andere woorden: waar waren die edelen in de tijd van de schepping van de aarde? Waar komt hun door godgegeven macht vandaan? 'Fuck you, apekool over dat door god uitverkoren en gezonden zijn'; dit is Gent doe maar normaal, je bent maar een gewone sterveling.


Palingoproer

Voor een relletje was niet veel nodig. Het meest merkwaardige was het Palingoproer in 1886 in de Amsterdamse wijk de Jordaan. Een zeer populair volksvermaak was het palingtrekken, wat door de Amsterdamse hotemetoten werd verboden. De organisatie van dit volksfeestje zette toch door en zo gingen de mannen uit de Jordaan toch in hun bootjes om paling van een touw te trekken dat over de gracht gespannen was. De politie kwam en probeerde in te grijpen wat jammerlijk mislukte, want ze werden door de verzamelde meute weggejaagd. Later, als er versterkingen worden aangevoerd, wordt het volk verjaagd . Het bleef nog dagen onrustig in de volkswijk. Sterker nog, het liep helemaal uit de hand.

De massale volkswoede keerde zich vervolgens tegen iedereen waarvan men dacht dat ze het volksverzetje hadden verstoort. Men ging over tot rellen en ordeverstoring. Nu werd het leger ingezet om de algemene orde te herstellen. De opstandige Amsterdammers gooiden met alles wat voorhanden was. Straatmeubilair en straatklinkers, alles richting het bewapende leger dat met scherp schoot. Het droeve resultaat was 25 doden en een veelvoud aan gewonden. De rust keerde terug in de Jordaan, het Palingoproer was de kop ingedrukt. In 1934 deed men het in dezelfde wijk nog eens dunnetjes over, wat die rellen vervolgens de benaming Jordaanoproer meegaf.



37 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven